Aanleiding was een casus die wij hebben voorgelegd aan de ILT, waarbij wij van de gebaande paden zijn afweken. In deze casus maakten wij een ontwerp voor de warm tapwaterinstallatie van een verzorgingstehuis. Dit is een prioritaire instelling, met strenge regelgeving.

In de regel wordt warm tapwater op twee manieren gemaakt:

  1. Lokaal met een eigen boiler per afnemer. Nadeel: een douche moet worden voorzien van een boiler van minimaal 80 liter. De ruimte die dit toestel inneemt is vaak niet beschikbaar in dit soort instellingen.
  2. Centraal opgewekt in een ketelhuis. Warm water wordt door een circulatienet door het gebouw rondgepompt, om lange wachttijden te voorkomen. Nadeel: circulatieverliezen kosten erg veel energie. Daarnaast is er een verhoogde kans op legionellagroei in het systeem bij een te lage temperatuur. Volgens de regelgeving dient deze minimaal 60°C te zijn en dient dit gemonitord te worden volgens het legionella beheersplan

Kortom: voor een zorginstelling is warm tapwater, naast een potentieel risico voor legionellabesmetting, ook een grote kostenpost.

Om dit op te lossen hebben wij bij deze zorginstelling een ander ontwerp voorgesteld. In dit ontwerp voorzien wij iedere zorgkamer van een koudwateraansluiting. Daarnaast zorgen we voor warm water door middel van een elektrisch doorstroomapparaat. Hierin wordt met een elektrisch element het doorstromende water verwarmd. En hier zit de kracht van het ontwerp: in tegenstelling tot een boiler heeft dit systeem geen voorraad (< 1 liter inhoud voor opwekker en uittapleiding). Geen voorraad betekent geen kans op legionellagroei en daarmee geen eis voor minimaal 60°C.

Om verbranding te voorkomen is de mengtemperatuur van de tappunten begrensd op 40°C. Door de juiste kranen te kiezen kan de warm water temperatuur worden begrensd tot circa 50°C

Wij hebben dit ontwerp gerealiseerd. Het bedrijf dat de controles uitvoert voor de zorginstelling maakte melding dat de installatie niet zou voldoen aan de regelgeving. Enerzijds omdat de temperatuur niet hoog genoeg was op het tappunt, anderzijds omdat er geen mogelijkheid was om de temperatuur periodiek te controleren.

Dit is voorgelegd aan de regionale inspecteur. Deze gaf aan dat de temperatuur inderdaad 60°C dient te zijn omdat bij een prioritaire instelling er altijd sprake is van een collectieve installatie.

Wij lezen de regelgeving echter anders: er is hier geen sprake van een collectieve warm tapwaterinstallatie, omdat lokaal het koude tapwater wordt verwarmd. Omdat de opwekker en uittapleiding minder dan 1 liter inhoud hebben zijn er geen eisen zijn voor legionellabeheer. Op grond van artikel 4.4 van NEN 1006 (zie relevante literatuur onder) en aanvulling 4.4.2.7 is er geen temperatuureis, en dus ook geen verplichting deze periodiek te controleren en te registreren.

Dit is voorgelegd aan ILT. Deze heeft recent bevestiging gegeven dat onze interpretatie aangehouden mag worden. Deze uitspraak biedt de mogelijk energetisch veel gunstiger te ontwerpen. Laagtemperatuursystemen hoeven dus niet meer te worden aangevuld met boostervoorzieningen die temperaturen boven 60°C mogelijk maken. Bovendien worden installaties ook veiliger omdat er geen langdurig verblijf van leidingsegmenten in de gevarenzone tussen 25 en 55°C mogelijk is.

Relevante literatuur:

  • NEN 1006, artikel 4.4h, met aanvulling A1 (A.4.4.2.7) voor afwijkingscriteria die toegepast zijn
  • Informatieblad Ministerie van Infrastructuur en Milieu
  • ISSO maart 2013: Wet- en regelgeving legionellapreventie in drink- en warmtapwater, tabel 2c voor criteria voor maximale koudwatertemperatuur
  • Regeling Legionellapreventie, artikel 5.1.6.
  • Bouwbesluit artikelen 1.1, 1.3